Alles heeft een prijs

Eigenbelang en samenwerking in de Hanze

Het is 3 augustus 1524 en de afgevaardigden van de stadsbesturen van Lübeck en Danzig zitten al sinds 8 uur ’s ochtends in een herberg in Kopenhagen bij elkaar. Het is de herberg waar de heren uit Lübeck op dat moment verblijven. Tussen de burgemeester van Lübeck en de secretaris van het stadsbestuur van Danzig ontstaat die ochtend een discussie die laat zien dat de afweging van het eigenbelang veel invloed had op de samenwerking tussen Hanzesteden.

Kopenhagen in de zestiende eeuw (Braun & Hogenberg).

Wie samenwerkt, moet wat voor elkaar over hebben. Er zijn gezamenlijke belangen of idealen die een samenwerking stimuleren, maar ook eigenbelangen die daar niet altijd helemaal mee overeenkomen. Of de samenwerking in zo’n geval doorgezet wordt, hangt af van wat er op het spel staat. Voor de laat-middeleeuwse stadsbesturen stond er heel wat op het spel: de stad was een autonome eenheid waarbinnen een eigen recht gold en die zich voor haar politieke en economische succes staande moesten houden in concurrentie met andere steden en landeigenaren, en een landsheer of -vrouw die zijn/haar invloed probeerde te vergroten. Tegelijkertijd waren deze partijen voor hun succes onderling van elkaar afhankelijk, en ze werkten dan ook regelmatig samen.

Het aantreden van een nieuwe landsheer of -vrouw was een moment waarop de stadsbesturen even alle zeilen bij moesten zetten. Een nieuwe landsheer of -vrouw erkende namelijk niet altijd zomaar de rechten die zijn of haar voorgangers hadden toegekend. Die rechten, bijvoorbeeld het recht om ergens minder tol te betalen, moesten op zijn minst opnieuw bevestigd worden. Met een beetje pech probeerde zo’n landsheer of -vrouw de voorwaarden voor die rechten in zijn of haar voordeel te veranderen. Anderzijds konden de stadsbesturen ook proberen om de voorwaarden en rechten in hun voordeel uit te breiden.

Dit was ook één van de dingen die speelde in de relatie tussen de Hanzesteden en Denemarken toen Frederik I in 1523 tot koning van Denemarken werd gekozen. Zijn voorganger, Christiaan II, was afgezet, maar betwistte de nieuwe verkiezingen en probeerde de troon te herkrijgen. Lübeck en enkele andere steden aan de Oostzee waren in oorlog geweest met Christiaan II, en boden daarom de nieuwe koning Frederik na zijn verkiezing militaire ondersteuning om zijn positie veilig te stellen. In 1524 waren er onderhandelingen in onder andere Kopenhagen om de vrede te herstellen. Daarbij werd ook onderhandeld over de privileges van de Hanzekooplieden in het Deense koninkrijk.

Ambrosius Storm, raadssecretaris van Danzig, hield het thuisfront in Danzig op de hoogte. Uit zijn verslag van de gebeurtenissen in Kopenhagen blijkt dat de burgemeesters van Lübeck en Hamburg zich tijdens een intern overleg afvroegen of het wel noodzakelijk was dat zij ook de belangen zouden behartigen van ‘de Zuiderzeesteden, zoals Kampen, Deventer, Utrecht, Zwolle, Groningen etc., Dordrecht, Amsterdam en andere steden die keizer Karel V als landsheer erkenden’. Volgens hen konden deze stadsbesturen dat prima zelf. De burgemeesters van Lübeck en Hamburg achtten het duidelijk niet in hun eigen belang om in de onderhandelingen veel risico te nemen voor andere steden zolang daar niet duidelijk iets tegenover stond.

Daarnaast blijkt dat Ambrosius Storm graag wilde dat het recht om vrij door de Sont te varen uitgebreid werd zodat alle kooplieden die niet uit het koninkrijk van Frederik I kwamen vrije doorvaart hadden. De burgemeester van Lübeck, Thomas van Wickeden, vond zijn argumentatie niet sterk. In het citaat dat Storm van hem optekende zegt Van Wickeden: ‘Het is jou echter om de Hollanders te doen’! Daar sloeg hij waarschijnlijk de spijker op zijn kop: Danzig was op dat moment een grote uitvoerhaven van onder andere graan uit het Oostzeegebied. Schepen uit Holland, Amsterdam voorop, waren belangrijke afnemers. Storm reageerde met de opmerking ‘eenieder is het te doen om het zijne’. En in zijn verslag noteerde hij dat men de Hollanders uit ‘de zee’ (de Oostzee) weg wilde houden.

Het is duidelijk te zien dat deze stadsbestuurders van de Hanzesteden Lübeck, Danzig en Hamburg zich bewust waren van hun tegenstrijdige belangen, maar ook het belang zagen om de krachten te bundelen. Dat het samenwerken de eigen belangen moest dienen zie je in veel gevallen terugkomen, maar hier werd het wel heel expliciet op papier gezet.

Bronnen

Hanserecesse 3.8, i.h.b. nr. 812, p. 798-799. Digitaal te raadplegen: https://www.hansischergeschichtsverein.de/hanserecesse

De genoemde citaten zijn volgens Dietrich Schäfer en Friedrich Techen, de samenstellers van Hanserecesse 3.8 nr. 812, in de bron als volgt:

“Nademe de Sudersehisschen steder, als Campen, Deventer, Uthrecht, Swolle, Groningen etc., Dortrecht, Amstelredam und andere under kayr mt geseten, so is vorsehenlick, dat se wedder koning Christiern neffens den andern hensestedern nicht doen werden; wat ys denne noedt, dat wie vor sehe dedigen? Dan konen se solvest wes bededingen, dat leth man gescheen”.

(…) Idt is juw aver umbe de Hollanders to doen”.Darto ick wedder gesecht: “Eynem elken ys idt to doen umbe dat syne“, dat spoerde ick by en solvest, und were glieckwoll in der thiet der thohopesate nicht vorlaten, dat man de Hollanders uth der sehe holden wolde.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.