Ten geleide

Hanzebronnen #3

Wie de homepage van mijn blog opent, ziet als eerste een brief met een grotendeels afgebrokkeld rood zegel. Die afbeelding heb ik natuurlijk niet alleen als achtergrond gekozen vanwege de mooie letters. Het is een geleidebrief voor de gezanten van de steden Nijmegen, Roermond, Zutphen en Arnhem: een document dat ervoor moest zorgen dat zij veilig richting Lübeck konden reizen voor een vergadering van de Hanzesteden. Wat was een geleidebrief precies? En wie hebben dit exemplaar gebruikt?

Deze geleidebrief is te vinden in het Regionaal Archief Zutphen, 0001 Oud-Archief Zutphen, inv. nr. 1823 (jaar: 1441).

Geleidebrieven – of vrijgeleiden – werden aangevraagd om veilig door een bepaald gebied te kunnen reizen. Veilig, dat wil zeggen onder bescherming van de degene die de geleidebrief uitgegeven had. Op het moment dat iemand je aanhield, kon je zeggen dat je binnen de voorwaarden van dit document ongestoord door het betreffende gebied mocht reizen. Nam diegene dan alsnog je goederen in beslag, of zette hij je zelfs gevangen, dan kon je een klacht indienen bij degene die de brief had uitgegeven. Degene die je had lastiggevallen kreeg het dan met deze heer, dame of instelling aan de stok. De kans dat je dan weer vrijgelaten werd, en dat de geleden onkosten werden vergoed, was een stuk groter dan zonder deze bescherming. Je kunt de geleidebrief dus eigenlijk zien als een soort reisverzekering. Het is geen garantie dat alles goed loopt, maar die kans wordt aanzienlijk verkleind, en bovendien maak je kans op schadeloosstelling wanneer er toch iets gebeurd.

Zegel van Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht, uit 1442 dat wel heel is gebleven. Bron: HCO Deventer, 0690 Stad Deventer periode Middeleeuwen, inv. nr. 114-1.

De geleidebrief hierboven is uitgegeven door Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht tussen 1423 en 1455. Hij is geldig voor de gezanten van de Gelderse hoofdsteden Nijmegen, Roermond, Zutphen en Arnhem, en gezanten van alle andere steden die in Gelre lagen. Ook de met de gezanten meereizende dienders (bijvoorbeeld boden) en knechten (gewapende mannen) werden door de brief beschermd. Zij konden veilig door de landen van de bisschop van Utrecht reizen. Dat wil zeggen, door het Nedersticht (dat komt ongeveer overeen met de huidige provincie Utrecht) en het Oversticht (dat komt ongeveer overeen met de provincie Overijssel). De geleidebrief is geldig voor een bepaalde periode en een bepaalde bestemming, namelijk de vergadering van de Hanze in Lübeck. Die vond plaats op 12 maart 1441. De geleidebrief is expliciet geldig op de heen- én de terugweg. De brief is uitgegeven te Deventer op 24 februari 1441.

Deze kaart uit de Bosatlas van de Geschiedenis van Nederland (p. 145) laat goed zien hoeveel grenzen je over moest als je over langere afstand reisde. Ook het Duitse Rijk bestond uit een veelheid aan landjes.

In de geleidebrief stond dus sowieso wie hem uitgaf. Dit kon dus een landsheer zijn, maar ook een stadsbestuur. Ook werd genoteerd aan wie hij uitgegeven was. Dat hoefden niet persé gezanten van steden te zijn, maar het kon ook een met naam genoemd persoon zijn, of bijvoorbeeld alle burgers van een bepaalde stad. Daarnaast werden er bepaalde voorwaarden vermeld waarbinnen de geleidebrief geldig was: het gebied, de periode, een specifieke gebeurtenis, en soms aanvullende voorwaarden.

De geleidebrief uit 1441 is ook echt gebruikt door afgevaardigden van de stadsbesturen van Gelderse steden. De Nijmeegse burgemeester Rembolt van Beke, de Zutphense burgemeester Gert Olrykes, de Roermondse burgemeester Arnold Drosdal en het Arnhemse raadslid Goswin van deme Gruthus waren aanwezig op de vergadering in Lübeck. Daarnaast reisden uit het Oversticht burgemeester Hinrik Bruns uit Deventer en burgemeester Tydeman Schursak uit Kampen mee. Voor de Gelderse en Overstichtse steden was dit geen onbelangrijke vergadering: de steden Roermond, Arnhem en Kampen werden tijdens de vergadering officieel opgenomen in de Hanze.

Geleidebrieven waren niet de enige manier om je veiligheid onderweg te vergroten. In voorbereiding op dezelfde vergadering lukte het de gezanten van Bremen niet om de geleidebrieven te krijgen die ze wilden. De stad Bremen was in conflict met de graaf van Hoya, en daarom vond het stadsbestuur het te gevaarlijk om zonder geleidebrieven van de stad Hamburg en hertog Adolf I van Schleswig op pad te gaan. Hertog Adolf (‘Alf’) was echter onderweg en kon niet op tijd een geleidebrief uitgeven. Lübeck stelde het stadsbestuur van Bremen gerust door voor te stellen met een geleidebrief van de Aartsbisschop van Bremen naar Lüneburg te reizen en vanaf daar samen te reizen met de raadsgezanten van de stad Lüneburg. Degenen die met jou samen reisden, konden jou dus ook enige bescherming bieden. De stad Lüneburg had in het betreffende gebied een goede verstandshouding met de machthebbers, en onderweg konden de gezanten van het Lüneburgse stadsbestuur indien nodig ook voor de gezanten van Bremen instaan.

De belangrijkste landwegen tussen Bremen, Lüneburg en Lübeck volgende de Atlas Hansische Handelsstraßen van Bruns & Weczerka uit 1962.

Gratis was een geleidebrief niet: je moest ervoor betalen. Meestal vind je hiervan alleen een opmerking in de stedelijke administratie, maar in Zutphen is ook een briefje bewaard gebleven uit 1540 waarop zo’n betaling bevestigd wordt.

Literatuur en bronnen

Voor de namen van de gezanten uit Gelderse en Overstichtse steden die naar de vergadering in Lübeck gingen, heb ik de spelling aangehouden die in de bron stond. Daarvoor heb ik de transcriptie gebruikt uit de gepubliceerde Hanserecesse Abt. 2 Band 2. In deze periode gold geen vaste spelling. In andere bronnen kunnen deze namen dus een beetje anders geschreven zijn.

In dit artikel vertelt Jan Frings iets meer over de geleidebrieven in het Zutphense archief: Jan Frings, ‘Geleidebrieven’, Zutphen 2016 Nr. 3, p. 74-78. Of een geleidebrief en een paspoort altijd hetzelfde waren, zoals hij in zijn eerste zin schrijft, betwijfel ik echter.

Jeroen Benders schrijft in Bestuursstructuur en schriftcultuur op p. 135-138 iets meer over geleidebrieven in het algemeen en over de manier waarop informatie daarover bewaard is gebleven in stedelijke archieven.

Wie het leuk vindt, kan zich hieronder buigen over een transcriptie van de oorspronkelijke tekst. Die is gemaakt door een vrijwilligersgroep in Zutphen bestaande uit Aafje H. Groustra-Werdekker, Jan van Aken, Annie Albers, Joost Dijksman, Jan Frings, Rob Kammelar, Jan Klompenhouwer, Dineke van Krimpen, Annie Nijenhuis en Cor Bierhof. In de bijlagen bij de online inventaris van het oud-archief van Zutphen is de pdf te vinden met meer transcripties van geleidebrieven die in het Zutphens archief bewaard zijn.

Onder andere mensen uit deze transcriptiegroep werken als vrijwilliger mee in mijn project. Ze helpen mee met het transcriberen van de reizen van boden en gezanten die in de stadsrekeningen staan opgetekend. Dankzij hun hulp kan ik de contacten tussen een groter aantal Hanzesteden in beeld brengen dan ooit mogelijk was geweest in mijn eentje. Daarover binnenkort meer in een ander blog!

Transcriptie van de geleidebrief uit 1441
Wy Roedolph bider gnaden goits, bisscop toe Utrecht maken kont allen luden dat wij voer ons voer onse ondersaten ende voer alle die ghene die om onsen wille doen ende laten willen, gegeven hebben ende geven myt desen onsen brieve seyndeboden der vier hoeftsteden slants van Gelre als Nyemegen, Rueremunde, Zutphen, Aernhem ende der cleynre steden des selven lants, die nu ter dachvaert toe Lubeke geschicket sullen werden opten sonnendach reminiscere inder vasten neeste comende een vrij vaste zeker geleyde ende veylicheyt myt hoeren knechten ende dienres die vyant noch ballyng en syn onsen noch onsen lande veylich door onse lande sgestichtsz van Utrecht, wech ende weder ter dachvaert voerscreven ende wederomme te huyswaert te trecken, ongelet ende ongehyndert aen hoeren lyve ende guede sonder argelist. Des tot orkunde hebben wy onse zegel beneden op tspacium disz briefs doen drucken. Gegeven toe Deventer int jair onss heren dusent vierhundert eenendeviertich op sant Mathias dach apostoli.

3 antwoorden op “Ten geleide”

  1. Beste Maartje, bij het vertalen van een transcript uit het Hansisches Urkundenbuch nr. 9, pagina 109-115, kom ik een stuk tekst tegen waar ik graag je mening over zou hebben.
    Het betreft het verslag van de gebeurtenissen rond de Keulse afgezanten naar de Hanzedag op 25 juli 1465.
    Deze afgezanten werden op de terugweg naar Keulen, voorzien van een geleidebrief van de bisschop van Münster, overvallen en in gijzeling genomen door de graaf van Tecklenburg, voor een openstaande schuld van de aartsbisschop en het domkapittel van Keulen aan zijn zuster -men moet niet alles begrijpen…-
    De raad van Keulen stuurde hierop vertegenwoordigers naar de bisschop van Münster om hem aan de geleidebrief te herinneren en de Hanzesteden aan hun reces en de gevangenen met geweld of anderszins te bevrijden. De stad Münster verontschuldigde zich niet te kunnen helpen, omdat zij wegens de oorlog geen geld had en zich door de winterse omstandigheden niet aan het reces kon houden. Tot zover mijn korte beschrijving. Mijn vraag is deze: het zogenaamde Hanze “Rezeß”, is bij mijn weten niet meer dan een verslag van de vergadering en van afgesproken protocollen en overeenkomsten. Uit deze teksten begrijp ik, dat er ook een beschermingsmechanisme voor afgezanten van en naar de Hanzedag bestond, anders dan hun geleidebrieven, is daar meer over bekend? Ik hoop dat jij hier meer van weet, als je daar interesse in hebt zal ik je met alle plezier het originele transcript en mijn vertaling sturen.
    Met vriendelijke groet

    1. Interessante kwestie! Een reces is inderdaad een verslag van de vergadering, inclusief afspraken/voornemens. Ik vermoed dat de verwijzing naar een reces hier niet zozeer gaat om een specifiek beschermingsmechanisme voor afgezanten van en naar een Hanzedag, maar om tijdens een vergadering gemaakte afspraken om elkaar als Hanzesteden steun te bieden. Als er in de opmerkingen over het reces geen concrete verwijzing is naar een bepaald jaar, zou ik voorgaande recessen doorlopen op dergelijke afspraken. Ik kan me voorstellen dat het iets te maken heeft met een eerder afgesproken ‘tohopesate’, maar dat hoeft niet persé. Zie hiervoor bijv. de bijdrage van Matthias Puhle, ‘Innere Spannungen, Sonderbünde – Druck und Bedrohung von außen‘, in: Jörgen Bracker, Volker Henn, Rainer Postel (Hrsg.), Die Hanse. Lebenswirklichkeit und Mythos (4. Aufl. 2006) p. 110-123. Goswin von der Ropp gaat er in Hanserecesse Abt. 2 Band 5, nr. 740 vanuit dat het hier gaat om afspraken uit 1456 (zie noot 1 op p. 529, hij verwijst naar HR Abt. 2 Band 4), die maken waarschijnlijk veel duidelijk over het beroep dat gedaan wordt op het stadsbestuur van Münster (en andere steden?).

      Het is in ieder geval belangrijk hier te onderscheiden tussen de bisschop van Münster en de stad Münster. De bisschop heeft een geleidebrief verstrekt, en wordt om die reden aangesproken op hulp. Het stadsbestuur van Münster wordt als andere mogelijke bron van hulp aangesproken. In geval van problemen worden vaak meerdere wegen tegelijkertijd bewandeld om het gewenste doel te bereiken. Dit voorbeeld laat ook zien dat dat nodig is: op basis van wat ik hier zie lijkt Keulen van het stadsbestuur Münster zo snel nog geen concrete steun te kunnen verwachten.

      Ik hoop dat dit helpt! Is het resultaat van het speurwerk straks ergens te lezen?

      Hartelijke groet, Maartje

  2. Dankjewel voor je inzichten Maartje, het is inderdaad de bedoeling om e.a. te publiceren in een geschiedenis van het geslacht “von Gemen” waar ook deze gebeurtenissen deel van uitmaken. Wanneer dit gebeurd is onbekend, ik ben een amateur en ben pas 30 jaar met mijn onderzoek bezig….ik zal de resultaten van mijn onderzoek naar dit specifieke onderdeel in ieder geval in ieder geval met jou delen.
    Hartelijke groeten,
    Willem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *